TIJDELIJK GEBRUIK: JURIDISCHE EN PRAKTISCHE GIDS

Vraag 168

Hoe kan men (trachten te) voorkomen dat de gemeente bij domiciliëring alle inwoners van een gegroepeerde woning in dezelfde gezinssamenstelling voegt?

1) Vragen naar het I.T. (‘informatie type’) 140 in plaats van 141

  • Men kan beginnen met het vragen naar een I.T. 140 (referentiepersoon van het gezin) in plaats van 141 (‘lid van het gezin’). Hoe? Door uit te leggen dat men, ondanks een gemeenschappelijk adres, geen deel uitmaakt van hetzelfde huishouden als de andere bewoners.
  • Voor de betrokken wet verwijst het begrip ‘gezin’ naar personen die gewoonlijk samenleven… wat eerder vaag is, daarover zijn we het eens.
  • De door de administratie opgestelde richtlijnen (de zeer officiële Algemene onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters, opnieuw geactualiseerd op 2 mei 2017) bieden in dit verband waardevolle beoordelingselementen. Ten eerste wordt het gezin met name gezien als twee of meer personen, die al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenleven. Meer bepaald ‘moet het samenleven worden beschouwd als het beslissend criterium om te bepalen of personen al dan niet een gezin vormen. Dit criterium kan afgebakend worden dank zij feitelijke elementen zoals: de inrichting van de plaatsen en de afrekeningen voor telefoon, internet en energieverbruik). Tot slot vormt de betrokkene een afzonderlijk gezin indien meerdere feitelijke elementen dit aantonen (vb. betrokkene beschikt over een afzonderlijke keuken en een afzonderlijke badkamer, betrokkene kan afzonderlijke afrekeningen voor telefoon, internet en/of energieverbruik voorleggen, betrokkene kan door middel van een geregistreerde huurovereenkomst aantonen dat hij een gedeelte van de
  • woning huurt van de andere bewoners, er zijn afzonderlijke ingangen, afzonderlijke deurbellen en brievenbussen…).
  • Men kan dus met onderbouwde feiten aanvoeren dat er in de gegroepeerde woning geen echt ‘gemeenschappelijk leven’ bestaat, dat iedereen een min of meer autonoom bestaan leidt ondanks het delen van bepaalde ruimtes, enz. In deze administratieve richtlijnen worden als voorbeeld van één huishouden de volgende bijzondere gevallen genoemd: leden van een kloostergemeenschap, militairen die in een kazerne verenigd zijn, personen die toegelaten zijn tot rustoorden of loontrekkenden die gewoonlijk bij hun werkgever thuis verblijven. Het valt daarbij op dat de bewoners van een gegroepeerde woning vaak veel minder geïntegreerd zijn dan in deze voorbeelden.

2) Subnummering

Het is ook mogelijk om de voordelen van een subnummering aan te vragen (bijvoorbeeld 8a, 8b, 8c…). Verscheidene gemeenten gebruiken deze procedure om het alleenstaande tarief van de (duidelijk niet samenwonende) betrokkenen veilig te stellen. Bovendien gelast de federale overheid zelf de gemeente dit te doen en laat zij haar weinig beweegruimte: Indien, op basis van voormelde feitelijke elementen, wordt vastgesteld dat de woning uit meerdere afzonderlijke wooneenheden bestaat, voorziet de gemeente in (een) bijkomend(e) huisnummer(s). Dus dit is geen gunst, zo blijkt, maar een recht.